"We hebben een venster op de eeuwigheid nodig.”

[red: onderstaande interview werd oorspronkelijk gepubliceerd in Wapenveld, Jaargang 49, 1999, nummer 2, pp. 58-69]

Dr. W. Aalders over zijn levenslange pleidooi voor innerlijkheid

Als jongetje van nog geen tien - geboren op 5 mei 1909 - trok dr. W. Aalders in 1918 met zijn ouders naar Indië. Europa worstelde zich op dat moment naar het einde van de Eerste Wereldoorlog. Met The Great War was de lange negentiende eeuw abrupt ten einde gekomen. De eindeloze slagvelden lieten zien dat wanneer de geschiedenis in zijn demonische gestalte doorbreekt, er van gestage vooruitgang geen sprake is. Karl Barth zou met zijn Römer-brief het veranderde levensbesef theologisch onder woorden brengen. Tegen de tendens om het Evangelie te vermaatschappelijken - een tendens die zeker bij de latere Barth zichtbaar wordt - zal Aalders zich echter meer en meer gaan verzetten. Niet dat het tweede gebod niet van belang is, maar het eerste gebod staat centraal. Dat het gaat om de persoonlijke verhouding tot God en de eeuwige dingen, leerde hij van zijn moeder en van Maarten van Rhijn, de kerkhistoricus uit Utrecht die zovelen dieper ingeleid heeft in de geheimen van het Evangelie.

Een woord van Groen kan Aalders' soms felle - en op het oog wat eenzijdige - verzet verduidelijken. Hij citeert het zelf regelmatig om zijn positie te verduidelijken. `De belijdenis waartoe men wordt geroepen, staat telkens met den aard der tijden waarin men leeft, in verband. Het belijden waarin de krachts des christelijken geloofs zich openbaart, ligt niet altijd in het getrouwelijk opzeggen van al de artikelen des geloofs; niet altijd in een onvoorwaar­delijk onderschrij­ven van de Schrift; zelfs niet in een prediking waarin geen enkel woord wordt aangetrof­fen, dat de meest regtzinnigen keurmeester ergeren zou. Het belijden is het uitkomen voor de waarheid op het punt waar de verdediging het meest bezwaarlijk is, waar het belijden met lijden vergezeld is.' (Revolutie en Reveil (1989), p. 19).

Innerlijkheid

In zijn meest autobiografische Een correctie op de tijd (1985) noemt hij als het kritieke punt, `waar thans het belijden in gevaar is, de vervreemding van de subjectiviteit, van het innerlijk leven, van de persoonlijke toeëigening, van het geloof als de schat des harten' (p. 36). Het opkomen voor het innerlijk, de eigen verhouding tot God, heeft Aalders - hoewel toch niet direct afkomstig uit hun kring - voor velen binnen de gereformeerde gezindte tot leidsman gemaakt. Niet weinigen zullen het blad van de vrienden van Kohlbrugge - Ecclesia, voorheen Kerkblaadje - zijn gaan lezen omdat Aalders daar (samen met ds. D. Van Heyst) jarenlang de scepter zwaaide. Hij sprak regelmatig op jaarlijkse bijeenkom­sten van de Vrienden. Dat was een belevenis vanwege zijn gaven als spreker. Je voelde je meegenomen door de meeslepende stijl en dat wat aparte - in het begin wat haperende - timbre dat iets mystieks, iets profetisch had.

Dit eigen, tegendraadse geluid heeft Aalders veel vijanden bezorgd. De theologi­sche hoofdstroom vond zijn geluid eenzijdig en te scherp. Wie wat van de geschriften van Aalders kent, zal merken dat daarin soms harde persoonlijk noten gekraakt worden. (Al ging het er in de jaren zestig en zeventig op meer terreinen - bijvoorbeeld in de politiek - stevig aan toe).[2]

Maar wat de kern van zijn verzet betreft, lijkt Aalders toch ook weer gelijk te krijgen. Want na de maatschappijkritische fase in de theologie en het toejuichen van de secularis­atie, komt men er nu achter dat zonder spiritualiteit en persoonlijk geloof geen kerk het houdt in de maal­stroom van het voortgaande moderniseringsproces. Mogelijk heeft Aalders verder gekeken en dieper gepeild dan menigeen dacht. Opmerkelijk is bijvoor­beeld dat prof. H. Berkhof in zijn laatste publieke discussie - die rond de Godsverduistering - ronduit gezegd heeft in de jaren zestig de secularisatie veel te positief te hebben beoordeeld.

De nadruk op de innerlijkheid heeft Aalders onderbouwd met zijn visie op het burger­zijn van de christen van twee werelden. Religie is voor hem `de ontdekking en erken­ning van tweeërlei werkelijkheid: een eeuwige en een vergankelijke, een onbewee­glijke en een wisselvallige, een hemelse en een aardse. Daarbij heeft de eerste ten opzicht van de andere het karakter van oorspronke­lijkheid, volstrektheid. Zij is heilig, zalig, godde­lijk en daarom geldend, verplich­tend, oordelend. Religie is de betrekking tussen die beide werkelijkheden. Religie maakt de aardgebonden, vergankelij­ke, onrustige en wispelturige mens eerbiedig, vroom en wijs, omdat zij hem verwortelt in de waarheid en gerechtigheid van het eeuwige Zijn' (Schepping of geschiedenis, 1969, p. 67).

Bij dit Zijn denkt men onwillekeurig aan Plato. En terecht, Plato is een van Aalders' voornaam­ste leermeesters. In Plato herkent hij een geestverwant die met hem het heimwee deelt naar het eeuwige. De ontdekking van het transcendente hebben we naar zijn mening te danken aan de Grieken en van de Grieken is Plato de meest dichterlijke en priesterlijke, zegt hij in Plato en het Christendom (1984, p. 45).[3]

`Weet u wie mij bij Plato gebracht heeft? Dat is Groen van Prinsterer geweest: Groen was een Platonist. Er is een klein geschriftje uit zijn jeugd waar hij nooit afstand van genomen heeft en dat handelt over de vraag `wat de grondelementen zijn in de geschiedenis van het christelijk geloof'. Groen wijst dan op het Griekse denken. Maar de Schrift rept ook van de `wijsheid der Egyptena­ren'. Het verhaal gaat, dat Plato in Egypte geweest zou zijn en daar zijn inspiratie weer vandaan gehaald heeft. Alles hangt met alles samen. Zie Handelingen 7 vers 22.'

Innerlijkheid hebben we volgens Aalders nodig om in onze door de techniek gekenmerk­te tijd een `venster op de eeuwigheid' te houden. `Een stad met alleen fabriekspijpen, kantoorgebou­wen en huurkazernes is een horreur' (In verzet tegen de tijd, p. 67). Is de mens zonder religie dan treedt `het verschijnsel op van de verveling, van de levenswalg' (Revolutie en Reveil, p. 47).

Deze nadruk op innerlijkheid kwam bij Aalders niet in mindering op zijn belangstelling voor vragen van maatschappij en politiek. Zo heeft hij vaak geschreven over het belang van de politiek en goed bestuur. Het leven onder het Duitse juk had hem de ­waarde van de rechtsstaat doen inzien. Veel pleidooien voerde hij voor goed onderwijs en en goede opvoeding. Binnen het gezin en op de school worden jongeren gevormd voor de reis door het leven. Krijgen ze daar geen venster op de eeuwigheid mee, dan zijn ze onbekwaam om hun levensroeping te volgen.

Was Aalders vijftig jaar jonger - zo verzuchtte hij - dan zou hij graag meewerken om de Leidse theologische faculteit - die zo wreed haar kerkelijke opleiding verliest - de plaats te laten zijn waar de grote vragen van kerk en cultuur aangepakt worden. Want dat is in zijn ogen dringend nodig; de tijden vragen erom. Dr W. Aalders hoopt op 5 mei a.s. echter de leeftijd van de zeer, zeer sterken te bereiken. 90 jaar.

Jeugd

`Veel domineeskinderen hebben eigenlijk geen vaste plek, geen thuisland, en ook ik heb daar last van gehad. Mijn vader, J.C. Aalders, was gereformeerd predikant en ontving veel beroepen. Ik heb daardoor een zwervende jeugd gehad. Een tijd hebben we gewoond in Friesland, in Beetgumermolen. Aan Friesland bewaar ik rijke herinnerin­gen. Ik vond dat een kostelijk land met kostelijke mensen. Mijn vader voelde zich daar ook erg thuis, en dat leverde een heel harmonische thuissituatie op.

In 1918 werd mijn vader beroepen in Batavia. Idenburg - de oud gouverneur-generaal van Indië - en Colijn waren beiden lid van de beroepingscommissie voor de Gereformeerde Kerken in Indië en oefenden grote druk uit. Mijn vader nam het beroep aan en zo vertrokken we, terwijl Europa nog volop in oorlog was, naar Indië.

De reis erheen was een avontuur op zich. We konden vanwege de oorlog niet door het Suezka­naal, dus reisden we over Noorwegen naar Amerika. Vervolgens dwars door Amerika naar San Francisco en toen met de boot via Honolulu en Japan naar Batavia. Daar werden we hartelijk ontvangen door de gemeente, die al een tijd vacant was. Voor ons als gezin in zijn geheel was dat een rijke, mooie tijd, met overweldigende indrukken. Na vijfeneenhalf jaar was er een verlofperiode. We reisden naar Nederland in de veronderstelling dat we terug zouden keren naar Indië. Maar om de een of andere reden besloot mijn vader in Nederland te blijven. Daarmee was Indië een gesloten boek geworden, maar ik heb er altijd naar terugverlangd. Later in mijn leven heb ik zelfs overwogen naar Indië te vertrekken, maar toen doemde aan de horizon inmiddels een nieuwe wereldoorlog op, en werd dat onmogelijk.

Nauwelijks terug in Nederland raakte mijn vader betrokken bij het conflict rond Geelker­ken en sloot hij zich na diens afzetting aan bij de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband. Als HV-predikant diende hij de gemeente van Amster­dam-Centrum. In Amsterdam-Zuid stonden Geelker­ken en Buskes.

`Ik heb erg veel aan mijn moeder te danken en aan een tante van mijn moeder, tante IJda. Tante IJda woonde in een hofje aan de Vijzelgracht en ik ging op zaterdagavond vaak bij haar op bezoek. In een kast had ze zowat alle werken van Kohlbrugge staan. Zij sprak daar veel over en ze verbond die lectuur met haar persoonlijke levenservaringen. Dat maakte veel indruk op mij, vooral ook omdat haar verhalen door mijn moeder beaamd werden. Vaak, voor het slapen gaan, kwam zij naar boven om met mij daarover te spreken. Van haar heb ik het persoonlijk geloof geleerd, als een eigen verhouding met God de Vader en het Evangelie van Jezus Christus. Dat is bepalend geweest, en daarvoor zou ik later telkens ruimte zoeken in de Hervormde Kerk.

Ik bewaar mooie herinneringen aan het Gereformeerd Gymnasium aan de Keizersgracht. De rector was een neef van mij, neef Schaink, en de lerares Engels was een zuster van mijn moeder, en zo waren er nog meer bekenden. Toen ik van het gymnasium kwam, stond ik voor de keus van een studie en moest ik tegelijk besluiten of ik de weg van mijn vader zou volgen. Ik besloot dat laatste niet te doen. Voor mij was het Hersteld Verband een te klein, te beperkt milieu, met alle bezwaren van dien. Ik verlangde ernaar deel uit te maken van een grote volkskerk. Dus ben ik theologie gaan studeren in Utrecht. Dat leek mij dé weg om in te groeien in de Hervormde Kerk.'

Studententijd

`U moet nagaan, ik kwam uit de Gereformeerde Kerken, maar dan vooral uit de Indische Gerefor­meerde Kerken die ruimer waren dan wat we in Nederland kenden. Zo'n twistpunt als de letterlijke opvatting van de slang kon in Indië gewoon niet spelen. Toen ik theologie ging studeren, teerde ik op de indrukken van mijn moeder en van tante IJda. Waar vond ik daarvoor aansluiting in de theologie van de Hervormde Kerk?

De man die daarbij het meest voor mij heeft betekend, was professor Maarten van Rhijn, later ook mijn promotor: een vrome, lieve man. Hij zei tegen me: `Aalders, kom nou eens een middag alleen op mijn studeerkamer zitten, ik moet toch college geven. Kijk eens wat rond in mijn boekerij en ga daar vrij in grasduinen.' Op die manier kon ik mij oriënteren in de theologische wereld waarin Maarten van Rhijn vertoefde. Zo ben ik op het onderwerp van mijn dissertatie gekomen: Pascal. Een andere figuur waar hij mij voortdurend op wees, was Luther. Die vond hij in reformatorisch opzicht de persoonlijk­ste, duidelijkste vertolker van het Evangelie.

Van Rhijn was van mening dat wij in Nederland een eigen vertolking van het Evangelie van de Reformatie hebben. En dat komt het meest tot uitdrukking, eerst in de mystiek van de Nadere Reformatie, maar later vooral in de ethische theologie. Dan noemde hij - en daar heb ik toen ook zelf de werken van aangeschaft - Daniël Chantepie de la Saussaye (1818 - 1874). Die is bepaald gereformeerd, hij waardeert Calvijn in diens staatkundige opvattin­gen (NBG, art. 36), maar hij is persoonlijker, ethischer. Meer: `wenn Christus nicht in dir geboren ist, so hast du noch nichts', zoals Luther zei. De kring van ethische theologen, Chantepie, Gunning, de gebroeders Jonker, dat was de kring waarin ik heb leren ademen in de studeerkamer van Maarten van Rhijn. Voor mij was dat een geweldige rijkdom.

Van Rhijn heeft me ook geholpen bij het vinden van een gemeente. Hij stuurde me naar ds. S.H.F.J. Berkelbach van der Sprenkel, de latere hoogleraar dogmatiek in Utrech. Berkelbach was toen nog predikant in de Amster­dam­se Staatsliedenbuurt, één van de moeilijkste buurten. Hij ontving mij alsof ik een familielid was. Ik vroeg hem: `Moet ik naar Indië vertrekken, waar ik sterk toe neig, of moet ik toch in Nederland blijven?' `Hier in Nederland heb je veel meer een taak`, zei Berkel­bach, `en ik zal je helpen.' Nog geen twee weken later kreeg ik een brief van hem en tegelijk één van de predikant van Wijk aan Zee, of ik daar hulppredikant wilde worden. Ik heb daar zo'n anderhalf jaar onder leiding van ds. A.J.L. Hovy - een fijnzinnige, aristocratische figuur, goed theoloog, goed exegeet, helemaal gevormd in de ethische traditie - kunnen werken. Zo zijn dat de theologen geweest die mij hebben gevormd: Van Rhijn, Berkelbach, en ook Hovy.

In 1941 promoveerde ik op Pascal. Van Rhijn was mijn promotor, maar hij was ziek op de dag van de promotie. Hij werd vervangen door prof. J. Severijn, jarenlang voorzitter van de Gereformeerde Bond. Aan diens verdienste wil ik helemaal niets afdoen, maar dit onderwerp ging hem duidelijk boven de pet. Hij bedekte zijn onkunde met stichtelijkheid. De volgende dag werd ik aan het ziekbed van Van Rhijn geroepen, die me zei, dat hij het een uitstekende dissertatie vond.

In Wijk aan Zee heb heb ik mijn vrouw leren kennen. Men zei wel eens: `Je hebt je een hulp gepreekt, als hulpprediker.' Wijk aan Zee was ook mijn ingang in de Hervormde Kerk. Op aanbeveling van Hovy en Van Rhijn heb ik een beroep gekregen naar Friesland. Mijn eerste twee gemeenten waren in Friesland: Oosterzee en Koudum. Van mijn loopbaan als predikant is dat de rijkste tijd geweest: Koudum, een confessionele gemeente, maar ruim, open. Ze zeggen wel eens: Fries confessioneel is iets anders dan gewoon confessioneel, zoals ook Fries anti-revolutionair anders was dan gewoon AR en Fries christen-historisch anders dan gewoon CH.

In Koudum heb ik de opmars van de Duitse troepen gezien; we kregen vluchtelingen over de vloer uit Makkum. Het was volop oorlog, en die tijd raakte me diep. In mijn radeloosheid had ik enorm behoefte aan een boek, aan theologie, die me daar bovenuit kon tillen. Zo kwam ik terecht bij De Servo Arbitrio van Luther. Luther doorzag de mens en de gevaren van de mens. Er staan passages in over de geschiedenis in haar huivering­wekkende gedaante, waarbij God zich openbaart als de Deus absconditus, de verborgen God. Dat sprak me geweldig aan, en sinds die tijd heb ik een bijzondere band met De Servo Arbitrio van Luther.

Ik kreeg veel beroepen maar ik was erg gehecht geraakt aan Koudum. Daarover had ik echter geen goed geweten, omdat ik vond dat we het daar té goed hadden. Toen kreeg ik, anderhalf jaar na het begin van de oorlog, het beroep naar Groningen. Ik was jong en het was een belangrijke gemeente, dus ik dacht: met Gods hulp, ik ga mij in het water storten. Maar ik weet wel dat het afscheid van Koudum mij zoveel deed, dat ik bij mijn afscheidspreek heb zitten grienen op de preekstoel.

We zijn toen naar Groningen verhuisd, naar een klein bovenhuis. Voor zover in ons vermogen was, hebben we joden geholpen, onderduikers in huis genomen. In die Groningse tijd hebben we veel van de oorlog meegemaakt: de beschieting van Groningen en ook de bevrijding.'

Liturgie

`Direct na de oorlog ging er veel veranderen. Ik deelde het optimisme dat direct na de oorlog heerste. Ik dacht: `God geeft ons een nieuwe kans, het is een wonder, dat wij uit deze nachtelijke verschrikking gekomen zijn.' Ik heb daarover geschreven aan het slot van mijn boek Nederland als protestantse natie: `Dit is een wonder en we moeten beseffen dat het een Godswonder is, dat we weer in de vrijheid gekomen zijn. Dat we niet onder die baarlijke antichrist Hitler hebben hoeven blijven leven.'

Er kwamen veel uitnodigingen en veel verzoeken op mij af. Ik kreeg de vraag voorge­legd, of ik docent wilde worden van Kerk en Wereld in Driebergen. Kerk en Wereld was mede door toedoen van dr W. Banning opgericht. Ik dacht: `Nee, dat is niets voor mij, ik wil in de gemeente zijn, in het hart van de kerk.' Ook kreeg ik een uitnodiging van prof. H. Kraemer uit Leiden. Hij vroeg mij of ik belangstelling had voor een nieuw hoogleraarschap in de zendingswetenschap, in Oegstgeest. Ik zei opnieuw nee, want ik wilde predikant zijn, het Evangelie in deze tijd brengen, dat zag ik als mijn opgave. En een derde uitnodiging die ik in mijn Groningse tijd ontving, was de vraag of ik de opvolger wilde worden van Miskotte. Die was benoemd tot hoogleraar in Leiden, dus zijn plaats in Amsterdam-Zuid was vacant. Het was een beroep met boeiende aspecten. Dit was wat voor mij: werken onder intellectuelen in Amsterdam-Zuid in de Willem de Zwijgerkerk. Toen ik daar kwam om te kijken, heb ik Miskotte zelf gevraagd, wat hij ervan vond. Hij zei dat hij mij daar ongeschikt voor achtte. Achteraf ben ik te weten gekomen wat hij tegen me had. Het had te maken met mijn reserves ten opzichte van Karl Barth, die in die tijd allerwege hogelijk vereerd werd.

In plaats van naar Amsterdam zijn wij naar Den Haag gegaan toen ik beroepen werd in een stadsgedeelte dat door de Duitsers was leeggeroofd. Ik mocht er de Maranathakerk bouwen. Ik heb daar weloverwogen liturgische vernieuwingen doorgevoerd, zoals een liturgisch centrum en knielbanken, want voor mij is liturgie de vormgeving van het geloof in de persoon­lijke aanbidding. De liturgie was voor mij het remedie tegen de vermaatschappelijking van het Evangelie. Alsof we eerst en voor al een maat­schappelijk individu zouden zijn; dat is niet waar: we zijn eerst schepsel Gods. Mens zijn betekent: in de verantwoordelijkheid voor God staan.

Voor mij was de Maranathakerk een huis van aanbidding. Als Christus de wisselaars - de sociolo­gen, de economen - de tempel uit stuurt, dan zegt hij: Is het huis mijns Vaders niet een huis van aanbidding? Dat heb ik geprobeerd te verwezenlijken in de Maranathakerk. Ik heb er een fijne, trouwe gemeente gehad. Maar Den Haag als zodanig.. Ik vereen­zaamde - behalve door de Barthiaanse theologie - nog veel sterker door die versociologi­sering van het theologische denken in de kerken.'

Aalders is van mening dat een sociologische benadering van kerk en theologie veel schade heeft aangericht. `Dàt is de wetenschap die ontzettend veel kwaad heeft gedaan. Die heeft enorm opgang gemaakt. Die faculteit stroomde vol met studenten, ik heb dat in Nijmegen zien gebeuren. Alles was op een gegeven moment sociologie. Er was geen theolo­gisch vraagstuk of het moest ook van de sociologische kant benaderd worden. Daar keerde ik me fel tegen. De theologie kent de zonde wel, maar niet de zonde in de zin van Karl Marx en Friedrich Engels: als maatschap­pelijk kwaad. Zonde wijst op een persoonlij­ke, geblokkeerde godsverhou­ding. Wij komen tot het Evangelie nooit via de sociologie, maar via het persoonlijk geloof. Dan zeg ik met de ethische theologie: het geloof is geworteld in het geweten, in het persoonlijke, in het persoon zijn. En juist dat persoon zijn wordt schade aangedaan door de versociologise­ring van het denken en van de maatschappij en van de religie en van de cultuur.

De restanten van de wet zijn ingeschapen in ieder mens, en daar kan, mag, ja moet je dus ook bij ieder mens aan apelleren. En dat is een heel ander appèl dan het appèl van de bevrijdingstheologie, of de emancipatie van vrouw, of kind, of wat dan ook. Je moet appelleren aan het geweten, de stem van God vanuit de schepping. Want er leven zoveel van die scheppingsfragmenten voort in elke ziel, maar zij moeten moet gewekt worden. Dat is de taak van de prediking, de catechese en de zielszorg'

Barth

Net als veel anderen heeft Aalders aanvankelijk in Karl Barth de theoloog gezien die nieuwe wegen voor geloof en theologie zou wijzen. Gaandeweg bekruipt hem echter het gevoel dat bij Barth er toch wel belangrijke wissels omgaan. In het Kerkblaadje van 15 juli 1988 schrijft hij naar aanleiding van een deel over Barth in het Verzameld Werk van Miskotte een artikel onder de titel `Waarom ik met Karl Barth gebroken heb'. Trefzeker verwoordt hij daarin welke indruk Barth op hem en zijn collega's maakte. "In mijn herinnering zie ik ons op mijn studeerkamer in Koudum nog bij elkaar zitten met de volumineuze delen I,1 en I,2 van Barths Kichliche Dogmatik op de knieën. Na de inleiding van een onzer brak de discussie los, waarbij de ouderen en meer begaafden de jongeren op weg hielpen om de zware theologische kost op te nemen en te verteren. Wij bedienden ons van een eigen jargon, dat een mengsel was van duits en nederlands, ontstaan uit het taaleigen van Karl Barth en de artikelen van Miskotte. Hoe moeilijker de stof was en hoe verwarder de gesprekken, hoe zwaarder er gerookt werd. En als wij tenslotte in het middaguur gezamenlijk een boterham nuttigden, hadden wij allemaal het dankbare gevoel in een tijd te mogen leven, waarin zoveel nieuwe en belangrijke dingen aan de orde werden gesteld, die wezenlijk waren voor ons ambtswerk, met name voor de prediking.

Zie, bij het lezen van dit boek waarin tal van Miskotte's artikelen over Barth zijn bijeen gebracht, stond die lang vervlogen tijd opeens weer voor me. Ik beleefde opnieuw iets van de blijdschap van een kerkelijk en theologisch réveil uit de dertiger jaren."

Maar gaandeweg slaat de twijfel toe, veroorzaakt door Barths stelling `dat er uit Golgotha niets anders te lezen valt dan wat er in Gods hart geschreven is', dus dat er geen achtergrond achter Jezus is dan Hijzelf. Deze concentratie op Jezus Christus leidt tot een verschraling van de theologie. Alles wordt vanuit dit gezichtspunt benaderd. Het is de verabsolutering van dit op zichzelf nog wel aanvaardbare gezichtspunt dat tot ontsporingen heeft geleid. Allengs heeft zijn theologie een al te simpel en triomfalistisch karakter gekregen.'

Aalders beschrijft zijn afstand nemen van Barth als `een langzaam verlopend loswe­kingsproces'. `Eerst was er de twijfel of Barth met zijn correctie van de verkiezingsleer recht deed aan Luther, aan Calvijn, aan Dordt. Toen was er de onthut­sing over Barth's radicale vervloeking van alle natuurlijke openbaring, waar toch artikel 2 van de Nederlandse Geloofsbe­lijdenis een heel ander geluid laat horen. Dan de omkeer in de verhouding van Wet en Evangelie, van Schepping en Verzoening. En tenslotte de uitmonding van dat alles in een triomfalistische apostolaatsleer. Achteraf bezien is de Open Brief uit 1967 voor ons geweest de breuk met de Dogmatik van Barth.'

`Kort na de oorlog heb ik een tweetal boeken geschreven: De oer-christelijke gemeente en Cultuur en Sacrament. Die waren niet Barthiaans en ik merkte dat ik vereenzaamde. Er waren maar enkelen die dat ook zo voelden en met wie ik contact onderhield. Van Rhijn was helaas overleden en dat was een groot verlies voor mij. Hovy was vroeg oud, daar had ik ook geen contact meer mee. Maar met prof. J.N. Bakhuizen van den Brink, W.A. Zeijdner, en zo waren er nog enkelen, daar had ik contact mee.

Tegen Bakhuizen - een man van gezag toen - heb ik toen eens gezegd: zouden we niet een nieuwe Ethische Vereniging kunnen oprichten om het gedachten­goed van Chantepie en Gunning c.s. opnieuw in de kerk tot leven te brengen? Hij zei: `Ik zal het met vrienden bespreken en peilen of we een kans hebben.' Na verloop van tijd belde hij me op en zei: `We moeten het maar niet doen. We moeten eerst dit Barthiaanse tij laten passeren, want er is geen beginnen aan.' Alles stond in het teken van Karl Barth. Zo'n heel instituut als Kerk en Wereld, F.J. Pop en Banning. Alles werd Barthiaans, maar het ergste vond ik: wat Barthiaans werd, werd ook rood. Uit die tijd stamt de bekende uitspraak van Barth: Hitler was een schurk en een crimineel, maar Stalin was `ein sozial bewogener Mensch`, en daar moesten we aansluiting bij zoeken. Hij zocht aansluiting in het Oostblok en had daar volgelingen: Hromatka in Tsjecho-Slowakije, Gollwitzer in Berlijn. Gollwitzer - die veel contacten onderhield met de Bader Meinhof Groep.

Ik had helemaal geen behoefte om daar tegenover rechts te zijn, maar wel: het Evangelie vrij te houden van deze nieuwe politieke en ideologische binding. Daar hadden we juist de verschrik­kingen van gezien, in het nationaal-socialisme. Later heb ik daar mijn boek Theocratie of Ideologie (1977) aan gewijd. Daar heb ik met nadruk gesteld: theocratie is geen ideologie, maar het persoonlijk geloof dat de heiligmaking ook in deze wereld ernstig neemt en zich daarom ook niet wil onttrekken aan de maatschappelijke, politieke en economische verantwoordelijk­heid. Maar nooit en te nimmer als ideologie. En het stalinisme was een even gevaarlijke en afgrondelijke ideologie als het nationaal-socialis­me. Ik herinner me het afscheid van W. Nijenhuis als kerkhistoricus in Groningen. Zijn afscheidsrede was uitdrukkelijk gericht tegen Groens Ongeloof en Revolutie: `Geloof en Revolutie'. Wij moeten als christenen de revolutie als mogelijk instrument durven hanteren om de armen te bevrijden, daarbij hoeven we geen middel te schuwen, ook het geweld niet. De hele Hervorm­de Kerk ging die koers varen.'

Bij Barth zie je een concentratie op Jezus Christus. Daarvan zegt u: die is te geconcen­treerd, wat er omheen ligt is ook nodig?

`Ja, het Evangelie betekent: de menswording, dat Hij in de geschiedenis is gekomen. Dan moet je toch weten wat de geschiedenis is, en een mensbeeld hebben. Bij Barth is het Evangelie geworden tot een komeet. Die ploft in de wereld neer. Maar het heeft geen landings­plaats. Als in de Galaten­brief staat dat de volheid des tijds gekomen is, dan heeft dat toch zin? Welnu: die volheid des tijds kennen wij, zij is ontstaan in de Galoet, de diaspora, de verwoesting van Jeruzalem. Wat een rampzalige historische situatie! Maar dat was nu juist de tijd waarvan Christus zegt: nu kan mijn boodschap gehoord worden. God is werkzaam in de geschiedenis: de ontwikkeling heeft een voortgang gehad door de intertestamentaire tijd heen. Als je daar niets vanaf weet, dan begrijp je nooit Johannes de Doper en dan kun je niet Christus' optreden en zijn boodschap `Het Koninkrijk Gods is nabijgekomen' verstaan. Het is zo wáár wat Groen zegt in het begin van zijn Ongeloof en Revolutie: er staat geschreven èn er is geschied"

Nijmegen

`Van 1967 tot 1975 ben ik in Nijmegen lector in de protestantse theologie geweest. Toen ik benaderd werd, heb ik eerst contact opgenomen met de secretaris-generaal van de Hervormde Kerk. Ik zei: `Ik zou ontzaglijk graag betrokken willen worden bij de opleiding van studenten tot predikanten in Utrecht of aan een andere universiteit. Hij zei: `Dan moet ik informeren of je enige kans zou maken bij toekomstige vacatures. Na een dag of tien belde hij me op en zei: `Je hoeft nergens op te rekenen, want je papieren staan slecht èn vanwege je liturgie èn vanwege je anti-Barthiaanse stellingname.' Ik zei: `Dan weet je wat er gaat gebeuren. Dan zal ik met verdriet in mijn hart naar Nijmegen gaan.'

Ik had een jaar of zestien in Den Haag gestaan, en je moet niet te lang op één plaats blijven. Dus heb ik Nijmegen aangenomen. Ik had uitdrukke­lijk van tevoren geïnformeerd­, of ze wisten wat voor vlees ze in de kuip hadden. Ik zei: ik ben een leerling van Luther, van Kierkegaard, ik kom uit de Hervormde Kerk als een ethisch theoloog. Ik verzet me tegen het linkse gedoe en tegen dit hoe langer hoe meer ideologisch gekleurde Barthianisme. En toen zeiden de hoogleraren met wie ik contact had: Passen doe je hier niet, maar we hebben je nodig. Want wij zijn ook bezorgd over de ontwikkelingen in de RK Kerk. En jij hebt meer ervaring, kom over en help ons. Ik heb het gedaan en heb een oratie gehouden over `Luther, de derde Elia'. Daarmee heb ik kleur bekend, en bij de felicitaties in de senaatskamer, zeiden er twee: we beschouwen je komst hier niet als een zegen maar als een straf. Dit is niet wat we hier nodig hebben.

Toen kwamen de zestiger jaren met de studentenrevolte: toen was alles links, puur links. Op een morgen verschenen er maar vier studenten in mijn college. Ik vroeg wat er aan de hand was. Het antwoord was, dat er een havenstaking in Rotterdam was, en dat iedereen daarheen was, om solidair te zijn.

Nijmegen is in de periode dat ik er werkte helemaal links geworden. Dat maakte het voor mij niet gemakkelijk. In 1967 liepen de hoogleraren, voornamelijk dominicanen en jezuïeten, nog in het habijt. Binnen een paar jaar liep bijna iedereen in coltrui en op sandalen. Wilde je progressief zijn dan moest je de `shabby look' aanmeten. Ik was als een van de weinigen nog netjes gekleed. Ik was niet progressief: ik droeg een das als altijd en gaf college als altijd, over Luther en over Kierkegaard. Maar wel altijd met de spits gericht tegen de collectivisering en de versociologise­ring en de vermaatschappelijking van het Evangelie en van het geloof. Ik heb het uitgehouden tot mijn pensioen.

Toen vanuit Rome een klacht tegen Schillebeecx werd ingediend en de faculteitsraad zich solidair met hem wilde opstellen, heb ik als enige mij onthouden van stemming. Dat werd me niet in dank afgenomen.

Een van de punten die het in Nijmegen extra moeilijk maakte, was de benoeming van een tweede protestant op een docentenpost. Dat was Arend van Leeuwen, met zijn inaugurele oratie Pecunia olet, helemaal gericht tegen het Amerikaanse kapitalisme. Het moderne Jeruzalem zei hij, was Moskou. Aan hem kon je zien, hoe diep de ontwikkelingen toen ingrepen. Want Arend van Leeuwen was een leerling van Hendrik Kraemer, en Kraemer was het die mij oorspronkelijk gevraagd had voor Leiden. Kraemer was ondertussen benoemd aan het Instituut Bossey van de Wereldraad van Kerken in Genève. En hoe naar ik het ook vind om te zeggen - want Kraemer was een fijne, innemende figuur - maar hij was zo onder de indruk gekomen van de Wereldraad en alles wat zich daar afspeelde, dat ook hij links door de bocht was gegaan.'

Tegenstem

`Hoe is mijn eigen ontwikkeling nu onder dit alles geweest? Behalve aan mijn geschriften - vooral Ideologie of theocratie, De overlevingskansen van een protestantse natie, Luther en de angst van het westen - is dat ook af te leiden uit enkele typische gebeurtenissen waar ik met anderen bij betrokken ben geweest. Ik doel op de verschijning van eerst de Open Brief (1967), toen het Getuigenis (1971) en ten slotte het Hervormd Pleidooi (1994). Die vormen een eenheid.

Welke lijn loopt daar nu door heen? Die is het duidelijkst zichtbaar in het eerste geschrift. De Open Brief waarin ik, tegen de enorme nadruk op het apostolaat en niet meer op de belijdenis, terugriep tot de kern, namelijk: ik geloof, het persoonlijk karakter van het geloof. Wil ze werkelijk effect hebben, dan moet prediking persoonsgericht zijn, en geen maatschappelijk appèl of iets dergelijks. Het Evangelie is brood voor het hart en daarop vooral - want ik mag nu wel zeggen dat ik de opsteller geweest ben van die Open Brief - is de nadruk gelegd. Het was het terugroepen van het progressief gekleurde politieke aposto­laat tot de persoonlijke godsverhouding.

We hebben geprobeerd ook Van Ruler en Van Niftrik mee te krijgen. Die hebben daarvan afgezien, omdat ze toch nog mogelijkheden in de Hervormde Kerk zagen. Van Niftrik was een overtuigde Barthiaan, die kon zich niet veroorlo­ven om een dergelijk on-Barthiaans geluid te laten horen. Maar een jaar of twee drie later belde hij me op en zei: `Aalders, ik geloof dat je gelijk hebt. Het gaat niet goed, de hele kerk verlinkst.' Albert van den Heuvel was benoemd tot secretaris-generaal. Alle hoogleraarsbenoemingen werden getoetst op voldoende maatschappijkritische houding.

We wilden toen een nieuwe boodschap de kerk insturen onder de naam van Het Getuigenis. Toen Het Getuigenis uitging, was het aanleiding tot een zeer persoonlijke, nauwe vriendschap tussen Van Niftrik en mij.[4] Hij is toen, zoals u weet, onder de lawine van beschuldigingen en verdacht­makingen die over hem uitgestort zijn, aan een hartinfarct overleden. Hij heeft dat niet kunnen verwerken. Hij was van de grote vertolker van Barth in Nederland tot de afvallige gewor­den. Hij is begraven in Arnhem, Moscova heette die begraafplaats geloof ik. Ik zie ons daar nog staan, als klein groepje ondertekenaars van Het Getuigenis, maar wij kregen het woord niet. Het woord werd uitsluitend gevoerd door mensen die Van Niftrik waardeerden als degene die studenten de Barthi­aanse theologie geleerd had en die die invloed ook in de nieuwe kerkorde had zichtbaar gemaakt.

Daarna is de ontwikkeling steeds verder gegaan en zijn we in het Samen op Wegproces terecht gekomen. Dat SOW-proces is enorm vergemakkelijkt doordat alle kerken die daarbij betrokken waren, gestempeld waren door de sociologische benadering van het Evangelie, alsof het Evangelie vooral naastenliefde is. Met zag niet meer in dat als de hoofdsom van de wet God liefhebben boven alles is, dat dan ook werkelijk boven alles gaat en dat daar een volheid in schuilt die zich eenvoudigweg niet vertalen laat in het maat­schappelijke, economische, historische. Nee zegt men: deze twee zijn één. Menigmaal heb ik aan deze mensen uitgelegd dat dat wel in de Nederlandse vertaling staat, maar niet in het Grieks. In het Grieks staat er homoios: en homoios is niet identiek of gelijk, maar `gelijkend op'. Ze zijn niet gelijk, maar verwant. Het eerste en het grote gebod blijft: God liefhebben en daarvoor staat de kerk. Natuurlijk mogen partijen en vakbonden e.d. aanvullingen geven in praktische toepassing van naastenliefde. Maar de kerk heeft te staan voor het eerste gebod: gij zult de Here liefhebben boven alles. Het hart van de Kerk als planting Gods in deze wereld is de aanbidding.

De SOW-kerken vonden elkaar in de verhorizontalisering van het geloof. De Gerefor­meerde Kerken zijn daar in sneltreinvaart bij gekomen. Denk aan figuren als Bruins Slot, indertijd hoofdre­dacteur van Trouw, of De Gaay Fortman. Dat SOW-proces was gefundenes Fressen voor hen. Behalve voor diegenen die nog enig gevoel hadden voor de belijdenis en het eerste gebod, of Luthers Sola Fide, of Sören Kierkegaards Einzelne - en die beseften dat je pas dàn van naastenliefde kunt spreken. In dat kader verscheen er in 1994 nog eens een appèl, het Hervormd Pleidooi.'

Onze Tijd een Galoet

`Wanneer ik nu die drie geschriften op een rij zet, dan is het eerste: God liefhebben boven alles. Het tweede was vooral gericht tegen de ontkrachting van de Wet in haar hoofdsom, dus tegen de socalisering van het Evangelie. Pas vanuit het eerste en grote gebod wordt het tweede als daaruit voortvloeiend en erop gelijkend (homoios) verstaan. Naastenliefe is primair een geloofszaak en daarom ook primair op het persoon-zijn van de mens gericht. Dat is het wezenlijke verschil tussen diakonale en sociale zorg.

En wat bedoelden wij met het derde geschrift dat de mooie naam draagt: Hervormd Pleidooi? Het was een pleitrede van pleiters voor de Volkskerk als Planting Gods in de Lage Landen: de Nederlandse Hervormde Kerk. Eij lieten een hartekreet horen: Spaar om Gods wil toch de Kerk als Arke des Behouds; als Arke waarin de rechte orde van eerste en tweede Gebod bewaard blijft en waarin het Nederlandse Volk blijft gedenken: Er staat geschreven èn er is geschied! De verantwoordelijke ambten in de Kerk hebben het pleidooi naast zich neerglegd. met de vrijzinnig gereformeerden en lutheranen hebben zij de progressiviteit gesteld boven de historie. Daarmee hebben zij een grote schuld op zich geladen.

Ons volk kent meer van zulke trouwbreuken. Het is niet beter dan Israël en Frankrijk (1789) en Duitsland (1934). Het Wilhelmus spreekt al van zulke dieptepunten: "Maar onze Heer hierboven die alle ding regeert, Die men altijd moet loven, en heeft het niet begeert". De Bijbel leert ons echter om ook over zulke dieptepunten heen te zien. De Engelse theoloog Langmead Casserley sprak eens de wijze, diepe woorden: "In de wereld zegt men: de zaak is ernstig, maar niet hopeloos. Het geloof spreekt daarentegen: de zaak is hopeloos, maar niet ernstig".

Ontwaart u ergens kleine tekens van hoop, van vernieuwing?

`Gewoonlijk ga je dan speuren in de kerkgeschiedenis of je in soortgelijke situaties iets van een doorbraak, een wending kunt waarnemen. Ik denk aan een figuur als Luther bij de ineenstorting van het Middeleeuwse Corpus Christianum en het oprukken van de Turken tot voor Wenen. Hij sprak toen de geladen woorden: "Jeder warte, was Gott machen wird, und lasse gehen, was da geht, fahren wie es fährt, es is doch hinfort nichts Gutes mehr zu hoffen; das Töpfen ist zerbrochen und die Suppe verschütet, wir mögen die Scherben vollends hinnach wagen und, so viel es möglich is, guter Muths dazu sein, wie uns Christus lehrt und spricht von solcher bösen Zeit, Luc. 21:28: Wenn ihr solcher sehet, so sehet auf, und richtet eur Häupter auf, denn eure Erlösung kommt, und ist nahe".

Behalve in de Reformatie zijn ook in de Réveil-kring in de19e eeuw dergelijke geluiden gehoord in verband met de Franse Revolutie en het opkomend Liberalisme. Ik noem slechts Edmund Burke en Groen van Prinsterer, Kierkegaard en Kohlbrugge. Men zou ze galoet-profeten kunnen noemen. Want de galoet in Israël is het eerste duidelijke teken van het aanbreken van ongekende geschiedenis-weeën. Maar, - het Hebreeuwse woord: galoet betekent: onthulling, openbaring. Er staan in de galoet dus grote dingen te gebeuren.

Ik ben op het ogenblik aan het werk om na te speuren hoe in de intertestamentaire periode, dat is de galoet, God groot en belangrijk voorbereidend werk deed voor de komst van Zijn Zoon. De rijkste vrucht van die tijdsweeën is de Septuagint geweest, de Griekse vertaling van het Oude Testament. Méér dan alle profeten is de Septuagint wegbereider van het Evangelie geweest in één van de duisterste perioden van de Oude Geschiedenis.

Ik vestig mijn hoop erop, dat in in een tijd als de onze, waarin "het vat gebroken is" (om met Luther te spreken), wij ons zullen vasthouden aan de woorden uit Openbaring 22;20: "Hij die deze dingen getuigt, zegt: Ja, IK kom spoedig'.

Welke opdracht ziet u nu voor Kerk en theologie?

`Ik zou willen beginnen met te zeggen: geloven is het meest redelijke wat een mens kan doen. Geloven is het a priori van de mens als redelijk wezen. Alsof wij als redelijke wezens bang zouden moeten zijn voor de Griekse rede of Westerse wetenschap of voor de historische kritiek en archeologie en paleontologie! Maar dan moet je wel moedig zijn en het uiterste van je intellectuele vermogens vragen. Lafheid, traagheid, luiheid zijn van den Boze! Ook wereldmijding en mystiek kan lafheid en traagheud zijn.

Door de enorme vlucht van kennis en wetenschap heeft de Kerk en de theologie niet zo zeer mensen in de zorgsector nodig, geen praktische en sociale werkers, maar hoogontwikkelde, begaafde, erudiete intellectuelen, die zich geworteld weten in het Evangelie, die de tijd verstaan en zich niet laten imponeren door frasen en kreten. Wetenschap berust op "facts". Geloven op zuivere interpretatie van de feiten. Credo ut intelligam! De volstrekt antithese van Kuyper en van Karl Barth, daar kan ik niets mee. Die is hard, onbarmhartig, steriel. Die maakt vadsige, triomfalistische theologen.

Ik zou willen dat er een theologie kwam, die probeerde uit de Europese cultuur de grote waarden die daarin - onder sterke invloed van het christelijk geloof - zijn opgekomen, weer opnieuw onder woorden te brengen. Ik denk dan aan figuren als Kant, Hegel, en ik durf zelfs zeggen Heidegger. En ik zou ook willen noemen Carl Jung met zijn leer van de archetypen van de ziel. Hij heeft gezegd: er leven in de diepten van de menselijke ziel - en mijn pastorale praktijk heeft me dat laten zien - wonderlijke, gelijkluidende voorstellingen die alleen maar vanuit de schepping begrepen kunnen worden. Die kun je niet zo maar gebruiken, want dan kom je bij de new age terecht. Het moet zijn bijbelse inspiratie en correctie hebben. En dan heb je Schrift-theologen van formaat nodig. Het land zit vol theologen, maar van een kleine allure. Ik geneer me als theoloog als ik lees de werken van Kuitert en Den Heijer. Dat is zo laag. Terwijl christenen aristocraten van de wetenschap zijn. Wij moeten als theologen de hoge allure herwinnen van een figuur als Abraham; als Mozes, Salomo, Jesaja, Daniël, als de Apostelen en Leraren van de Vroege Kerk. Daar vraagt onze tijd om. Mag ik afsluiten met een citaat van Edmund Burke?

`If we do not get some security for the doctrines which a man draws from Scriptures, we not only permit but we actually pay for all the dangerous fanaticism which can be produced to corrupt our people and to decay the public worship of the country'.

Nawoord

In de tijd dat we dit interview uitwerkten is dr. Aalders getroffen door een groot verlies. Na een huwelijk van 63 jaar, ontvalt hem vrij plotseling zijn geliefde vrouw, Sara Geertruida Huender. Op 8 maart jl. is zij begraven op Oud Eik en Duinen in Den Haag. Aan dit interview voegt Aalders graag een woord toe ter nagedachtenis aan haar: "Het zal ieder duidelijk zijn dat een christelijk leven vele decennia in zó een turbulente en apokalyptische eeuw als de onze niet mogelijk zou geweest zijn zonder de aanvulling en ondersteuning van een "hulpe tegenover" (Genesis 2), die vanuit eigen zielsbehoefte en ervaring de vroomheid des harten zocht, kende en praktizeerde. Het is daarom tot haar herinnering dat ik de de gezangregels aanhaal die haar dierbaar waren en die voor mij háár geestelijk beeld zijn:

Hoe glanst bij Gods kinderen het innerlijk leven,

al zijn zij door zonlicht en regen verweerd.

Wat hun door de Koning des lichts is gegeven,

dat houden zij teder naar binnen gekeerd.

Het hart van hun werken,

dat niemand kan merken,

verlicht hen met liefde in leven en sterven

en doet hen de hemelse zaligheid erven.

  1. Maarten van Rhijn (1888-1966) werd geboren in Groningen, waar zijn vader - C.H. van Rhijn - hoogleraar Nieuwe Testament was. Van Rhijn was als student actief in de N.C.S.V. en na zijn afstuderen jarenlang studiesecretaris van deze vereniging, belast met kampwerk en bijbelstudie. In 1926 werd hij hoogleraar kerkgeschiedenis in Utrecht. Van zijn hand verscheen ondermeer een zeer lezenswaardige biografie van de ethische theoloog A.J.Th. Jonker (1851-1928; degene die Kierkegaard in ons land geïntroduceerd heeft).
  2. Men leze als illustratie Aalders' artikel Schepping of chaos in het tijdschrift Theologia Reformata, 1973, p. 286-308, en de hierop gevolgde discussie met prof.dr. H. Berkhof, Theologia Reformata, 1974, p. 4-18. Aalders merkt dan op - en daarmee is de sfeer goed getekend: `Als ik het goed aanvoel, verstrakt de toon van Berkhof in het laatste gedeelte van zijn contra-artikel. Hij spreekt nu van mijn `verkeerde constructiezucht' en verwijt mij zelfs `dat ik de lezers voortdurend misleid'. Ik neem hem dergelijke uitspraken niet kwalijk, omdat ik van overtuiging ben dat een discussie, die zozeer de fundamenten van het geloof raakt, niet buiten passie en affect kan. Zie maar de taal in de tijd der Reformatie! en denk ook maar aan de taal der Psalmen!'
  3. Iemand die regelmatig met Aalders de degens kruist over zijn Plato-interpretatie is prof.dr. A.P. Bos, hoogleraar antieke wijsbegeerte aan de Vrije Universiteit. Men leze zijn discussie met Aalders over diens Plato en het Christendom in Beweging 1985, p. 15 - 19. Volgens Aalders is het twee- werelden motief, uitkomend in het Sursum corda! en het Repos ailleurs!, authentiek christelijk. Bos daarentegen beschouwt dit motief als komend uit een buiten-christelijke wijsgerigerige richting. Plato is in zijn ogen niet minder "fout" dan Marx.
  4. Van het Getuigenis zijn maar liefst 70.000 exemplaren verspreid. Het Getuigenis zorgde voor felle polemieken in de kerkelijke pers. Wat vindt u van het Getuigenis (1972, waaraan o.a. A. Noordegraaf, J. Verkuyl en J.N. Bakhuizen van den Brink meewerkten) en Het Getuigenis- motief en effect, 1973, samengesteld door ir. J. van der Graaf, bieden een goed beeld van wat het Getuigenis aan gesprek en debat teweegbracht.